Resultaten

Blootstelling zuigeling aan antiretrovirale middelen

Door middel van de PANNA-B TDM en de PANNA-B PK studie hebben we vastgesteld dat de blootstelling aan de hedendaags gebruikte middelen voor de behandeling van hiv, en middelen waarvan verwacht wordt dat ze in de nabije toekomst veelvuldig gebruikt gaan worden (doravirine en bictegravir in combinatie met tenofovir alafenamide en emtricitabine) minimaal is en dat de kans op toxiciteit bij de zuigeling minimaal is. Ook hebben we vastgesteld dat de effectiviteit van deze behandelingen goed was, hetgeen blijkt uit het feit dat er geen virologisch falen is opgetreden bij de deelnemende moeders en er geen positieve hiv-testen zijn gezien in de zuigelingen.

In de PANNA-B TDM studie – het onderzoek waarbij vrouwen die leven met HIV en borstvoeding gaven zijn onderzocht - zijn 21 moeder-kindparen geïncludeerd en de concentraties in plasma en moedermelk werden bepaald voor negen verschillende geneesmiddelen (Tenofovir uit TDF en uit TAF, Emtricitabine, Lamivudine, Abacavir, Efavirenz, Darunavir met Ritonavir en Dolutegravir). Ten tijde van de subsidieaanvraag werd uitgegaan van 40 vrouwen (10 retrospectief en 30 prospectief). Uiteindelijk zijn er 5 retrospectief en 16 prospectief onderzocht. Er was geanticipeerd op 40 maternale plasma en moedermelk samples, terwijl we er respectievelijk 35 en 36 hebben kunnen verzamelen. Belangrijker nog, er zijn 30 kind plasma samples verzameld, welke de beste weergave geven van blootstelling via moedermelk. Dit is een stuk meer dan de beoogde 10 (25% van deelneemsters).

De verhouding tussen moedermelk en plasma varieerde per geneesmiddel, maar de relatieve dosis voor zuigelingen lag voor alle geneesmiddelen die in dit cohort werden gebruikt onder de veiligheidsdrempel van 10%. De hoogste relatieve dosis voor zuigelingen was 6,94 % voor efavirenz. De plasmaconcentraties bij zuigelingen waren ofwel zeer laag ofwel te laag om te kwantificeren (34,8 % onder de kwantificeringsgrens). Buiten de aanvraag om is er met collega’s van het AmsterdamUMC een assay onwikkeld om hiv-RNA in moedermelk te meten. Hierdoor konden is ook gekeken of er hiv-RNA aantoonbaar was in plasma van moeder of kind of in moedermelk, om zo beeld te krijgen van risico op transmissie ten tijde van borstvoeding. In geen van deze matrices werd hiv-RNA aangetroffen, hetgeen ondersteunt dat borstvoeding geven ten tijde van het gebruik van antiretrovirale middelen veilig is.
In de PANNA-B PK studie kregen vrouwen zonder HIV die borstvoeding gaven een eenmalige dosis van doravirine, of bitegravir met tenofovir alafenamide en emtricitabine waarna in plasma en moedermelk gedurende 24uur de medicatie concentraties zijn gemeten. Voor doravirine is ook een op fysiologie gebaseerd farmacokinetisch model (PBPK) gebruikt om de concentraties in moedermelk te voorspellen.

Doravirine: 8 vrouwen zijn geïncludeerd in het klinische deel van de studie, daarnaast zijn er simulaties gedaan met het beschreven PBPK model. Het PBPK model voorspelde een geometrisch gemiddelde (CV%) ratio tussen moedermelk en maternaal plasma van 0,39 (20), terwijl deze in het klinische deel van het onderzoek 0,26 (21) bedroeg. De mediane (IQR) voorspelde en waargenomen dagelijkse dosis voor zuigelingen op basis van een geschatte moedermelkinname van 150 ml/dag was 0,18 (0,12-0,29) en 0,18 (0,15-0,26) mg/dag. De relatieve dosis voor zuigelingen op basis van een geschatte inname van 150 ml/dag werd voorspeld op 2,27 (1,31-3,94) % en was 1,90 (1,50-2,44) % in het klinische deel van het onderzoek, dit ligt dus onder de aangenomen veiligheidsmarge van 10%
Bictegravir:12 vrijwilligsters namen deel aan het onderzoek. Het geometrische gemiddelde (CV%) van de area under the curve op basis van de laatst gemeten concentratie was 52,17 (22,6) mg*h/l in plasma en 0,44 (32,0) mg*h/l in moedermelk, wat resulteerde in een geometrisch gemiddelde (CV%) van de ratio tussen moedermelk en maternaal plasma van 0,009 (26,6). De mediane (IQR) dagelijkse dosis voor zuigelingen en de relatieve dosis voor zuigelingen bij een inname van 150 of 200 ml/kg/dag waren 0,034 mg/kg/dag (0,026 – 0,060) en 0,046 (0,035 – 0,080) mg/kg/dag en 0,68 (0,53 – 1,00) % en 0,90% (0,71 – 1,33) respectievelijk, wederom ver beneden de grens van 10%

Wetenschappelijke publicaties

Factoren die implementatie van huidige richtlijnen tav voedingsopties kinderen van moeders die leven met HIV beïnvloeden

Sinds een paar jaar is in nationale en internationale richtlijnen ruimte voor het ondersteunen van borstvoeding bij vrouwen die leven met hiv. Uit meerdere studies is gebleken dat de wens om borstvoeding te geven binnen deze populatie hoog is. Echter, het aantal vrouwen dat uiteindelijk borstvoeding geeft, is nog laag. Om uit te zoeken welke factoren de implementatie van deze richtlijnen beïnvloeden, werd dit kwalitatieve onderzoek verricht.

Er werden semigestructureerde interviews gehouden met twintig zorgverleners van perinatale hiv-teams en elf vrouwen met hiv om belemmerende en bevorderende factoren in het besluitvormingsproces in kaart te brengen. Uit de bevindingen blijkt dat het ontbreken van lokale protocollen leidt tot onzekerheid en inconsistentie in de counseling, terwijl zowel professionals als vrouwen de noodzaak benadrukken van een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden en actuele informatie die is afgestemd op de huidige klinische richtlijnen. Nationale aanbevelingen zijn vaak onvoldoende aangepast aan de culturele context en hebben een paternalistische toon, wat bijdraagt aan angst en verwarring. De studie benadrukt het belang van deskundige ondersteuning en toegankelijke, duidelijke communicatiestrategieën, waaronder de ontwikkeling van een informatieve website en de betrokkenheid van vrouwen met hiv bij het opstellen van dergelijk voorlichtingsmateriaal. Een systematische aanpak, waarbij alle belanghebbenden worden betrokken, wordt essentieel geacht om zowel empowerment als vertrouwen te bevorderen. Voor een optimale implementatie van bijgewerkte richtlijnen moet aandacht worden besteed aan deze factoren, zodat vrouwen met hiv volledig geïnformeerde en autonome keuzes kunnen maken met betrekking tot borstvoeding of flesvoeding voor hun kinderen.

Wetenschappelijke publicaties