In de PANNA-B PK studie kregen vrouwen zonder HIV die borstvoeding gaven een eenmalige dosis van doravirine, of bitegravir met tenofovir alafenamide en emtricitabine waarna in plasma en moedermelk gedurende 24uur de medicatie concentraties zijn gemeten. Voor doravirine is ook een op fysiologie gebaseerd farmacokinetisch model (PBPK) gebruikt om de concentraties in moedermelk te voorspellen.
Doravirine: 8 vrouwen zijn geïncludeerd in het klinische deel van de studie, daarnaast zijn er simulaties gedaan met het beschreven PBPK model. Het PBPK model voorspelde een geometrisch gemiddelde (CV%) ratio tussen moedermelk en maternaal plasma van 0,39 (20), terwijl deze in het klinische deel van het onderzoek 0,26 (21) bedroeg. De mediane (IQR) voorspelde en waargenomen dagelijkse dosis voor zuigelingen op basis van een geschatte moedermelkinname van 150 ml/dag was 0,18 (0,12-0,29) en 0,18 (0,15-0,26) mg/dag. De relatieve dosis voor zuigelingen op basis van een geschatte inname van 150 ml/dag werd voorspeld op 2,27 (1,31-3,94) % en was 1,90 (1,50-2,44) % in het klinische deel van het onderzoek, dit ligt dus onder de aangenomen veiligheidsmarge van 10%
Bictegravir:12 vrijwilligsters namen deel aan het onderzoek. Het geometrische gemiddelde (CV%) van de area under the curve op basis van de laatst gemeten concentratie was 52,17 (22,6) mg*h/l in plasma en 0,44 (32,0) mg*h/l in moedermelk, wat resulteerde in een geometrisch gemiddelde (CV%) van de ratio tussen moedermelk en maternaal plasma van 0,009 (26,6). De mediane (IQR) dagelijkse dosis voor zuigelingen en de relatieve dosis voor zuigelingen bij een inname van 150 of 200 ml/kg/dag waren 0,034 mg/kg/dag (0,026 – 0,060) en 0,046 (0,035 – 0,080) mg/kg/dag en 0,68 (0,53 – 1,00) % en 0,90% (0,71 – 1,33) respectievelijk, wederom ver beneden de grens van 10%
Wetenschappelijke publicaties